J­apan  

De Japanners vonden in het karate-jutsu veel dat zij konden gebruiken, bijvoorbeeld voor de training van hun dienstplichtigen die na 1868 voor het eerst in hun geschiedenis niet meer afkomstig waren uit Bushi-families en die toch een gevechtstraining moesten ondergaan. De toenmalige kroonprins woonde in 1921 op Okinawa een demonstratie bij waar hij zo van onder de indruk raakte dat zijn verslag een gedetailleerd rapport aan het ministerie van onderwijs tot stand deed komen. Dit leidde er toe dat er van de kant van het ministerie in 1922 een officieel verzoek kwam om een karate-jutsu expert uit te nodigen.

Gishin Funakoshi (1868-1957), on­derwijzer en afkomstig uit de plaats Shuri werd geselecteerd. Hem viel de eer ten deel op grond van het feit dat hij de meest geletterde vertegenwoordiger was van de toenmalige experts van het Okinawa-te, maar er waren genoeg andere nog betere vertegenwoordigers dan hij. Hij was in 1921 al eens een keer in Japan geweest om regeringsvertegenwoordigers en leden van de leidende bujutsu scholen in de Butokukai (national martial art federation) te Kyoto te laten kennismaken met de Okinawa-kunst. Maar pas in 1922 gaf hij voor het eerst karate-jutsu demonstraties in Japan.

Funakoshi deed dat op een indrukwekkende manier en aan vele univer­siteiten gaf hij lezingen over de fysieke en geestelijke aspecten van het karate-jutsu. Daarmee bereikte hij een grotendeels intellectueel publiek. Hij redeneerde als volgt: 'Mensen die een studie achter de rug hebben, bezitten in het algemeen wel een ontwikkelde geest maar geen ontwikkeld lichaam' Tijdens zijn demonstraties benadrukte hij het feit dat door karate-jutsu training zelfs een zwak lichaam sterk kon worden en dat een persoon van geringe lichaamsafmetin­gen, zoals hijzelf,een goede gezondheid kon opbouwen en onderhouden door deze training. Dit vond bij dit publiek natuurlijk veel weerklank. Het duurde dan ook niet lang voor hij een groot aantal volgelingen kreeg, die later op hun beurt het karate zouden propage­ren aan hun universiteiten.

Funakoshi demon­streerde en gaf ook les aan Jigoro Kano in diens Kodokan judo dojo. Kano had grote interesse en het resultaat kan men terugvinden in de vorm van de diverse 'atemi waza' (aanvallen op vitale punten) in diens judo-systeem en in de oefeningen-reeks die Kano noemde: Seiryoku Zen'yo Kokumin-Taiiku (national physical education based on the principle of maximum efficiency). Omstreeks 1924 had, de met niet aflatende overtuiging werkende Funakoshi, bereikt dat het karate-jutsu werd opgenomen in het leerplan voor de Japanse lichamelijke opvoeding. De Keio universiteit te Tokyo werd de eerste Japanse universiteit die officieel karate invoerde en er een oefenplaats (dojo) voor inricht­te. Echter Funakoshi's positie in Japan zou niet lang meer onbetwist blijven. In 1928 ging Kenwa Mabuni, een andere beroemde Okinawa mee­ster, naar Osaka om zijn stijl te introduceren.

Funakoshi, die les had gehad van Yasutsune Itosu, ontwikkelde de Shotokan stijl. Mabuni,leerling van zowel Itosu als van Kanryu Higashionna, ontwikkelde het Shito Ryu (met Naha-te kenmer­ken). Op Okinawa werd Chojun Miyagi, leerling van Higashionna, leider van het karate-jutsu genaamd Goju Ryu.

Bronvermelding: Budo Vademecum, officiële uitgave van Budo Bond Nederland